Weinig vrolijks deze keer. Ik vond de zin van de maand in een artikel van Ruard Wallis de Vries in Vrij Nederland over de eurocrisis in Griekenland. De zin staat aan het einde van de intro:

Een zin die begint met ‘en’ – daar heb ik een zwak voor. Dat is iets van vroeger. Heel lang geleden, toen ik nog studeerde, las ik in Onze Taal een uitspraak van een heuse ‘tekstschrijver’ die vond dat je een zin niet met ‘en’ of ‘maar’ mocht beginnen. Er knapte toen iets van binnen. Geïnspireerd door het werk van taalwetenschapper Francis Christensen begon ik zinnen te tellen in moderne romans. En ik ontdekte al snel dat Adriaan van Dis, Hella Haasse en A.F. Th. van der Heijden geregeld een zin met ‘en’ of ‘maar’ beginnen. Sindsdien neem ik alle ‘taalregels’ met een korreltje zout.
Terug naar VN. Een zin met ‘en’ beginnen is een kleine truc met een groot effect. Het verhaal stokt even, als lezer wordt je gedwongen rust te nemen voordat je verder gaat met de volgende zin. Een mooie manier om ergens aandacht op te vestigen. Of gewoon om een lange zin in stukjes te breken. Zoals de vorige zin laat zien. Wel met mate gebruiken, het mag geen maniertje worden. Maar dat geldt eigenlijk voor elke stijltruc.
Toch maar de nieuwe Vogue gekocht. Ik had hoge verwachtingen. Maar na vijf minuten had ik alle 290 bladzijden doorgebladerd. Mijn ogen bleven een fractie van een seconde hangen bij twee, hooguit drie foto’s. Verder deed het me niets.
Nu hoor ik niet bij de doelgroep. Ik ben geen vrouw, om te beginnen, en als ik dat wel was, zou ik geen ‘Lar Prairie Cellular Softening and Balancing Lotion’ kopen à 126 euro per flesje. Denk ik. Laat staan een Burberry-tas van 15.000 euro, wat echt een tikfout moet zijn. Maar hoe dan ook, ik had meer vernieuwing verwacht van een magazine van deze statuur. Er was één moment waarop ik onbewust stopte met bladeren…
Lees verder >>
Ik ben te nuchter voor grafologie, ik geloof niet dat je het karakter van iemand kunt aflezen uit een handschrift. Maar ik heb een zwak voor handgeschreven teksten. Je doet mij een groot plezier met een vergeten boodschappenlijstje. En ik ga rechtop zitten als ik in een magazine iets tegenkom dat met de hand geschreven is. Dat heeft denk ik te maken met (modewoord!) authenticiteit: een stukje rauwe werkelijkheid tussen alle onberispelijk vormgegeven interviews en reportages.
Een mooi voorbeeld: de handbeschreven bierviltjes van Remco Campert in het nieuwe literaire tijdschrift Das Magazin. Campert was zo aardig om op verzoek twee gedichten te schrijven. De redactie liet de viltjes fotograferen en plaatste ze in het net verschenen eerste nummer.
Lees verder >>
Vorige week verscheen De buurman van J.J. Voskuil. Net als vele andere Voskuil-fans heb ik het afgelopen weekend doorgebracht in het universum van Maarten Koning en zijn vrouw Nicolien. Ik heb ervan genoten. En dat is voor een groot deel te danken aan de stijl van Voskuil: zonder enige opsmuk, maar met oog voor effect.
Wat is zijn geheim? Zijn het de dialogen? De Buurman staat er bol van en ze lezen, even plat gezegd, lekker weg. Maar wat mij betreft wordt het pas echt Voskuiliaans in de mededelingen tussen de dialogen door: korte, rake observaties en beschrijvingen van alledaagse handelingen. Zoals in de zin van de maand: ‘Er werd gebeld.’

De zin staat al meteen op de eerste bladzijde, maar keert een paar keer terug. Ik zou het geen mooie zin willen noemen, met die passief (‘er werd’). En het is niet mijn bedoeling om een pleidooi te houden voor korte zinnen. Nee, het gaat me om iets anders. Het aantrekkelijke van de zin is de aankondiging die erin besloten ligt. Je gaat even rechtop zitten (er gebeurt iets!) en je leest nieuwsgierig verder.
Puur toeval: ik heb laatst een vergelijkbare zin in een artikel gebruikt. (‘De telefoon gaat.’) Dat beschouw ik met terugwerkende kracht maar als een bescheiden eerbetoon aan de romans van J.J. Voskuil.
Vandaag verschenen: de derde en laatste aflevering in de serie over digitale magazines, die ik samen met collega Edwin Lucas schrijf. Na een kennismaking met denkers (aflevering 1) en doeners (aflevering 2), zoomen we in deze laatste aflevering in op de lezers. Dat doen we samen met Joris Leker, usability-expert en medeoprichter van Valsplat. Zijn conclusie: ‘Ik heb de indruk dat veel tijdschriftredacties nog moeten uitvinden hoe het digitale platform werkt.’
Zoals gebruikelijk verschijnt het artikel tegelijkertijd op papier in Tekstblad en digitaal op Frankwatching.com.
Het nieuwe magazine Smith Journal liet 9 typemachines van bekende auteurs fotograferen: van een sobere Remington-machine van George Orwell tot een knalrood IBM-bakbeest van Hunter S. Thompson. Iedere machine kreeg een aparte pagina, voorzien van een korte tekst over de auteur en zijn werk. Door die aandacht ga je op details letten. En zie je hoe mooi alledaagse voorwerpen kunnen zijn. Maar het gaat natuurlijk niet om die machines, het gaat om de verhalen die ermee verbonden zijn. Vervang de typemachines door sleutelbossen en je hebt een mooie invalshoek voor een kennismaking met de medewerkers van de beveiligingsdienst. Fotografeer pennen en laat collega’s vertellen over het nieuwe documentmanagementsysteem. Maak er tassen van en je hebt een verhaal over mobiel werken. En een verrassend artikel dat (met hulp van een goede fotograaf) een lust voor het oog wordt.
Als journalistiek genre is het een tijdloze klassieker: het interview in vraag-antwoordstructuur. Waarom? Het leest zo lekker weg. En als het interview goed geschreven is, merkt de lezer iets van de spanning van het gesprek.
Die spanning mag op de schrijftafel best worden aangedikt. De opbouw hoeft bijvoorbeeld niet per se het verloop van het werkelijke gesprek te volgen. En de vragen hoeven ook niet werkelijk gesteld te zijn. Het kan de spanning van het stuk ten goede komen door af en toe een antwoord te onderbreken met een extra vraag of opmerking.
In de Volkskrant van afgelopen weekend staat een interview van Sara Berkeljon met programmamaker Frans Bromet. Soms stelt ze een lange vraag, soms een korte (‘Waarom?’ of: ‘En u?’), soms volstaat ze met een constatering: ‘U geeft het in ieder geval eerlijk toe.’ De kortste vraag bestaat uit één woord, of één letter eigenlijk: ‘O.’

De valkuil van deze aanpak: alleen citaten gebruiken, kan soms eentonig worden. Wissel vraag-antwoordcombinaties dus gerust af met een sfeerbeschrijving of wat achtergrondinformatie. De mooiste zin uit het interview komt niet uit de mond van Bromet, maar uit de pen van Berkeljon. Na haar vraag ‘Waarom?’ laat ze Bromet niet direct antwoorden, maar doet ze eerst een droge constatering: ‘Bromet kauwt op een koekje.’

Een prachtige vondst. Op papier ontbreekt de lijzige stem van Bromet, een van zijn handelsmerken. Met deze zin heeft Berkeljon toch iets van die nonchalance weten te vangen. Extra knap: dat doet ze niet door te benoemen, maar door de dingen voor zichzelf te laten spreken. Zin van de maand.
Het nieuwe tijdschrift Park heeft aan mij geen nieuwe abonnee. Te weinig verrassing, te veel mode (laat mij siberisch). Maar achterin staat een leuke rubriek: een spread van een groepsfoto, in dit geval een diner bij acteur Nasrdin Dchar thuis. De foto is precies goed: niet te statisch (mensen kijken opzij, er gebeurt van alles op de achtergrond) en ook niet te levendig (iedereen is goed herkenbaar).
Sla je de bladzijde om, dan kun je van alle geportretteerden een gedachte lezen. Dat werkt goed. Je leest totaal verschillende anekdotes van totaal verschillende mensen, maar het gemeenschappelijke onderwerp (acteur Nasrin Dchar) en de gezamenlijke foto zorgen voor samenhang. Ook geschikt voor portretten van besturen, werkgroepen of ondernemingsraden. En eenvoudig om te zetten naar een digitaal format. Sleutel tot succes is denk ik de locatie van de foto: vermijd voor de hand liggende bedrijfskantines of bestuurskamers. En maak de groepsfoto alsof hij terloops genomen is. De aanwezigen kijken even naar de fotograaf en gaan dan weer verder met hun gesprekken. Zo worden je lezers getuige van iets bijzonders.
Een van mijn goede voornemens voor komend jaar: meer zorg besteden aan mijn blog. Nu maak ik me er nog even ‘makkelijk’ van af. Vandaag verschijnt aflevering 2 van de serie artikelen over digitale journalistiek, die ik samen met collega Edwin Lucas schrijf. Dit keer hebben we gesproken met makers van digitale magazines: Wendy Bilsen en Simone Koudijs van Proof Reputation (winnaar van een Grand Prix Customer Media) en Jossine Modderman van Viva/Sanoma (genomineerd voor een Mercur). Een voorzichtige conclusie: digitale magazines raken hun vertrouwende tijdschrift-format geleidelijk kwijt en smelten samen met andere vormen van communicatie, zoals sociale media. Het artikel verschijnt vandaag tegelijkertijd op papier in Tekstblad en digitaal op Frankwatching.com.
P.S. Uitgever Virtùmedia is zo aardig geweest om een doosje Tekstbladen af te leveren. Heb je belangstelling? Laat het me weten, dan stuur ik je een exemplaar. Zolang de voorraad strekt.
Vandaag verschenen: het artikel over digitale magazines dat ik samen met collega-tekstschrijver Edwin Lucas schreef voor Tekstblad, vakblad voor tekstschrijvers. We interviewden Bas Broekhuizen (Universiteit Leiden), Joris van Heukelom (MakerStreet, voorheen Sanoma Digital), Koen Denolf (Het Salon, Gent) en Erwin van der Zande (Bright Magazine). De Tekstblad-redactie is zo aardig geweest om het complete artikel online te zetten: Digitale journalistiek: trial and error.
Te lang? Gisteren verscheen een verkorte, digitale versie op Frankwatching.
Reacties