Nog één keer: ‘hun hebben’
Afgelopen week discussieerde ik met enkele collega’s over het verschijnsel ‘hun hebben’. Taalverloedering, riep iemand. Onzin, reageerde ik. Onbegrip alom: hoe kon je als tekstschrijver nou vinden dat ‘hun hebben’ GEEN taalverloedering is? Nou, volgens mij zit het zo:
Als taalgebruiker ervaar ik ‘hun hebben’ als ongrammaticaal. Het doet bij wijze van spreken pijn aan mijn oren en ik corrigeer mijn kinderen als ze het gebruiken. Dat gaat vanzelf, ik denk er nauwelijks bij na.
Als tekstschrijver hanteer ik een eenvoudig principe: leidt een formulering mijn lezers af van de boodschap? Dan moet ik andere woorden kiezen. Het zou dus niet in mij opkomen om ‘hun hebben’ te schrijven.
Als taalliefhebber stel ik vast dat ik steeds vaker ‘hun hebben’ hoor. Dat vind ik interessant. Het doet me denken aan het Afrikaans, een prachtige taal die zich in de 17e eeuw heeft losgezongen van het Nederlands. In Zuid-Afrika zeggen ze ‘hulle het’. Zou het Nederlands zich in die richting ontwikkelen? Waarom gebeurt dat eigenlijk? Hoe lang duurt het voordat we ‘hun hebben’ accepteren? Ga ik dat nog meemaken? (Ik denk het niet.) Enzovoort enzovoort… Veel te interessant om af te doen als ‘taalverloedering’.
Meer weten over de achtergronden? Onze Taal schreef een genuanceerde column over ‘hun hebben’.


Reacties