Flatplan-apps getest: vooraf

De komende twee maanden ga ik ‘flatplan-apps’ testen. ‘Flatplan’ is het Engelse woord voor een bladindeling, in de tijdschriftenwereld ‘plank’ genoemd. Afgelopen zomer werkte ik aan zo’n indeling, voor een nieuw relatiemagazine. Ik begon aan een opzetje in Word, dat ik later weer verwerkte in een Excel-bestand. Het voelde als geknutsel. Excel bleek heel onhandig toen ik een week later de indeling wilde aanpassen. En ik had allerlei informatie die ik er graag in wilde verwerken maar niet kwijt kon. Telefoonnummers van interviewkandidaten bijvoorbeeld, of de status van het beeldmateriaal. Dat moest toch handiger kunnen?

Ik besloot mijn collega’s bij Tekstnet eens te raadplegen. Had iemand ervaring met software voor een bladindeling? vroeg ik op de mailinglijst. Nee, nooit gezien, was de teneur, maar zoiets zou inderdaad heel handig zijn! Na wat zoeken kwamen we vier ‘apps’ op het spoor, die misschien aan mijn wensen voldoen. Ik besloot ze te gaan testen. Niet in mijn eentje, maar samen met enkele rotten in het vak. Volgende week aflevering 1. Daarin probeer ik Flat-Plan uit, samen met collega Arthur Snaauw.

Lange zinnen: wanneer is lang beter?

Een korte serie over lange zinnen, beloofde ik vorig jaar. Dat was naar aanleiding van de jaarlijkse Tzum-prijs voor de mooiste zin in verhalend proza. Het zijn altijd lange zinnen die in de prijzen vallen, viel mij op. Enfin. De hoogste tijd voor aflevering twee van mijn serie over lange zinnen: wanneer is lang beter?

Sla een willekeurig adviesboek open bij het hoofdstuk over begrijpelijk schrijven en je leest bijvoorbeeld ‘Lange zinnen zijn doorgaans ingewikkelder dan korte’ (Schrijfwijzer, Jan Renkema, vierde editie) of ‘Maak korte zinnen’ (Schrijven in eenvoudig Nederlands, BureauTaal, 2006).

Maar lang is niet per definitie slecht, staat er ook steevast. BureauTaal (‘gemiddeld niet meer dan 10 woorden per zin’) maakt zich er wel heel makkelijk van af: ‘Er zijn voorbeelden van korte zinnen die onbegrijpelijk zijn en voorbeelden van lange zinnen die goed te begrijpen zijn. Tja.

Wanneer is lang beter? Ik denk dat er minstens twee argumenten zijn. Lange zinnen bieden meer samenhang en ze zorgen voor afwisseling.

Lees verder >>

Goed jatten: een interactieve recensie

Af en toe speel ik een videogame. Ik heb geen tijd en zin om van alles uit te proberen, dus ik lees recensies. De meeste recensenten drukken hun eindoordeel uit in punten of sterren op een schaal van 1 tot 5 of 10. Heel overzichtelijk, maar ook weinig bevredigend. De recensent hanteert misschien wel heel andere criteria dan ik. Websites als Metacritic springen daar handig op in door verschillende recensies te verzamelen en daar een gemiddelde score uit te destilleren. Nog overzichtelijker. Maar het kan slimmer.

Zou ik LittleBigPlanet Karting moeten kopen? Zo luidt de kop boven wat ik maar even een in potentie interactieve recensie noem. De recensent laat zich niet verleiden tot een eindscore, maar stelt zijn lezers in staat om hun persoonlijke score te berekenen. Houd je van kart-games? Zo ja, tel 2 punten bij je score op. Zo nee, trek er 4 van af. Is je Playstation aangesloten op internet? Zo ja: +3, zo nee: -2. Enzovoort. Ik noem de recensie in potentie interactief, omdat je als lezer nu nog zelf moet hoofdrekenen. Met wat knoppen en een teller zou dat niet nodig zijn. Ook op het gebied van vormgeving is meer mogelijk. Dat kost punten. Eindoordeel: een dikke 7.

Zin van de maand: ‘Geen terreinknecht heeft zo veel gras te verzorgen’

De menselijke maat volgens Frank SnoeksAfgelopen dinsdag heb ik weer eens voetbal gekeken. Manchester City tegen Ajax, met commentaar van Frank Snoeks. Het is als met kamperen, Björk en blauwe kaas: Frank Snoek, je houdt van hem of je haat hem. Ik heb me nooit zo druk kunnen maken om voetbalcommentators (misschien luister ik te slecht), maar dinsdagavond schoot ik een paar keer in de lach.

Vlak voor de gelijkmaker begon Snoeks uit te leggen dat City het grootste voetbalveld van de Premier League heeft. Om dat nog eens te onderstrepen, zei hij: ‘Geen terreinknecht heeft zo veel gras te verzorgen als die van Manchester City.’

De zin laat goed zien wat je kunt bereiken met de menselijke maat. Abstracte getallen zeggen de gemiddelde lezer niet zo veel, tot je ze terugbrengt naar concrete voorbeelden. Een bekend (en afgezaagd) voorbeeld: als je alle X opstapelt, heb je een toren die zo hoog is als de Domtoren / Eiffeltoren / Mount Everest.

Snoeks had ook kunnen vertellen dat het veld 105 meter lang en 68 meter breed is, en misschien heeft hij dat ook wel gedaan, maar om die cijfers echt tot de kijkers te laten doordringen, stapte hij in de schoenen van degene die dagelijks geconfronteerd wordt met de tastbare gevolgen daarvan. De terreinknecht.

Je zou ook kunnen beweren dat het voorbeeld niet geslaagd is, omdat het op de lachspieren werkt (wat kan ons die terreinknecht nou schelen?). Maar in dit geval geeft de homor recht op bonuspunten. Inderdaad, ik behoor niet tot de Snoeks-haters.

Zin van de maand: ‘die dikke Velsense vissersneus’

Elk jaar reikt literair weblog Tzum een prijs uit voor de ‘de mooiste zin in verhalend proza’. Dit keer heeft de jury een zin gekozen van L.H. Wiener. De zin telt maar liefst 99 woorden, de langste prijswinnende zin ooit:

‘Ik zou mijn moeder nog wel eens in die dikke Velsense vissersneus van haar willen knijpen, een neus die van geen ophouden wist, in tegenstelling tot mijn moeders nieren, die het begaven onder de druk van alle medicijnen – nu ja, niet echt knijpen, want een beetje zoon die knijpt zijn moeder niet, die eert het wijf dat moeder heet, maar die dikke kokkerd van een gok van haar, dus, tussen mijn wijs- en middelvinger en duim pakken, zoals ik vroeger vaak deed, om te plagen, als een soortement van liefkneuzing, dat zou ik graag nog eens een keertje doen.’

De winnende zinnen uit voorgaande jaren waren ook erg lang: 35 (Buwalda, 2011), 49 (Lanoye, 2010), 75 (Mortier, 2009), 29 (Van der Heijden, 2008)… We vinden lange zinnen kennelijk mooi. Toch zou niemand op het idee komen om een zin van 99 woorden in een folder of website op te nemen. Aanleiding voor een serie. Een korte serie over lange zinnen.

Opgeleverd: klantmagazine ICT

In crisistijd een nieuw klantmagazine lanceren: Insight durfde het aan. Insight is een van ‘s werelds grootste leveranciers van IT-producten en -diensten. Vanwege mijn ervaring met ICT-journalistiek vroeg het bedrijf mij om de teksten te schrijven voor het nieuwe magazine, Connect geheten. De vormgeving is in handen van Rob Proost, de fotografie wordt verzorgd door Ruud van der Graaf.

De eerste editie ligt hier in papieren vorm voor mij, maar de artikelen zijn ook online te lezen: Connect, vakblad voor de IT-professionals in de publieke en de commerciële sector

Nieuwsgierig naar de look and feel? Twee spreads uit de papieren versie:

‘Waarom zou je wel je personeel flexibiliseren, maar niet je IT?’ (PDF)
Security reist met bedrijfsdata mee (PDF)

Zin van de maand: ‘Aziz Kara komt in 1974 vanuit Adana naar Nederland’

Voor het eerst in jaren kocht ik afgelopen week de Nieuwe Revu. Dat blad is een oude jeugdliefde van me. Ik las het elke week in de leesmap, in de tijd dat Derk Sauer, Theodor Holman en Frans Lomans er de dienst uitmaakten. Brutale journalistiek, vol vaart en humor geschreven — dat wilde ik ook. De Nieuwe Revu uit die tijd heeft mij aan het schrijven gekregen.

Ik las het blad nu vanwege het coverartikel over de koffertjes met geld die Geert Wilders aan Bram Moszkowicz zou hebben overhandigd. Maar ik werd vooral gegrepen door een reconstructie van de moord op Aziz Kara, een 64-jarige man van Turkse afkomst, die door zijn paranoïde buren om het leven is gebracht. Na een beschrijving van de toedracht, volgt een alinea die begint met deze zin:

Waarom is dit zo’n geslaagde zin? Dat wordt duidelijk als je de zin in de verleden tijd leest. ‘Aziz Kara kwam in 1974 vanuit Adana, Turkije, naar Nederland voor een beter bestaan.’ Ik betrap mezelf erop dat ik denk: tja, het zal wel. Verplichte feitjes. In de tegenwoordige tijd klinkt dezelfde zin heel anders. Opeens ben je als lezer in 1974, alsof je alles van dichtbij meemaakt. Dat maakt het veel spannender en levendiger.

Je moet wel oppassen met de presens historicum, zoals deze truc in de stijlboekjes wordt genoemd. Te veel heen en weer springen tussen heden en verleden zorgt voor verwarring. Ook in de Nieuwe Revu gaat het mis, in de volgende zin zelfs al: ‘Vanaf de eerste dag werkt hij als productiemedewerker […] en binnenkort zou hij met pensioen gaan.’ Binnenkort zou hij met pensioen gaan? In 1974? Nee, hier spreekt de schrijver in 2012. Jammer, want het doet afbreuk aan het effect. Dat zou in de tijd van Derk Sauer nooit gebeurd zijn!

Goed jatten: een leestip

Villamedia magazine, het vakblad van de journalistiek, is deze maand ‘een ode aan de rubriek’. Het blad bestaat uit tientallen rubrieken die schaamteloos zijn gejat uit bekende publieksbladen: van ‘Anybody’ uit Viva tot ‘Achterwerk’ uit VPRO Gids. De rubrieken zijn niet alleen in stijl maar ook in opmaak tot in detail gekopieerd. Een feest der herkenning.

Grappig genoeg is het idee om al die rubrieken te jatten ook weer gejat, biecht hoofdredacteur Dolf Rogmans eerlijk op in zijn redactioneel. Het eindresultaat is een prettig leesbaar eerbetoon aan de moderne Nederlandse klassiekers van de journalistieke rubriek, ‘het cement van elk tijdschrift’. Leuk leesvoer voor op vakantie.

Goed jatten: geen interview maar een gesprek

Nieuwe magazines kan ik uit nieuwsgierigheid moeilijk laten liggen. Dus nu heb ik alweer een damesblad voor me, Fab. De vaste vraag: waar bleef mijn oog hangen? Als eerste bij de ‘Secret section’, die ik midden in het blad aantrof. Slim: de ‘24 sensuele pagina’s’ zijn kleiner gesneden, waardoor ze echt als een apart katern aanvoelen.

Maar ik wilde het eigenlijk over iets anders hebben. De meeste bladertijd heb ik namelijk doorgebracht in een interview van Marion Pauw (thrillerschrijver) met Elle van Rijn (actrice en scenarioschrijver). Het leuke is dat beide vrouwen een even belangrijke rol hebben. Ik heb geen interview gelezen, maar een gesprek.

Voor zo’n gesprek heb je gelijkwaardige personen nodig. Twee schrijvende vrouwen dus. Of twee collega’s. Laat de directeur eens interviewen door een collega van een partnerbedrijf. Of nog spannender: een concurrent. Of draai de rollen om en laat je directeur de vragen stellen. Zet ze samen op de foto. En zorg ervoor dat je erbij bent! Niet alleen om aantekeningen te maken, maar ook om het gesprek op gang te houden en af en toe door te vragen. Want dat blijft natuurlijk een vak apart 😉

Zin van de maand: ‘En het zelfmoordcijfer is verdubbeld.’

Weinig vrolijks deze keer. Ik vond de zin van de maand in een artikel van Ruard Wallis de Vries in Vrij Nederland over de eurocrisis in Griekenland. De zin staat aan het einde van de intro:

een zin die begint met en

Een zin die begint met ‘en’ – daar heb ik een zwak voor. Dat is iets van vroeger. Heel lang geleden, toen ik nog studeerde, las ik in Onze Taal een uitspraak van een heuse ‘tekstschrijver’ die vond dat je een zin niet met ‘en’ of ‘maar’ mocht beginnen. Er knapte toen iets van binnen. Geïnspireerd door het werk van taalwetenschapper Francis Christensen begon ik zinnen te tellen in moderne romans. En ik ontdekte al snel dat Adriaan van Dis, Hella Haasse en A.F. Th. van der Heijden geregeld een zin met ‘en’ of ‘maar’ beginnen. Sindsdien neem ik alle ‘taalregels’ met een korreltje zout.

Terug naar VN. Een zin met ‘en’ beginnen is een kleine truc met een groot effect. Het verhaal stokt even, als lezer wordt je gedwongen rust te nemen voordat je verder gaat met de volgende zin. Een mooie manier om ergens aandacht op te vestigen. Of gewoon om een lange zin in stukjes te breken. Zoals de vorige  zin laat zien. Wel met mate gebruiken, het mag geen maniertje worden. Maar dat geldt eigenlijk voor elke stijltruc.

« Oudere berichten   Nieuwe berichten »